Hoe het allemaal begon…

Hieronder een stuk dat ik ooit in een paar dagen tijd heb geschreven en gepolijst, een paar jaar na mijn verhuizing naar Ithaca, NY in maart 2000. Ook alweer een jaar of tien oud, dus. Echt, ongelofelijk! Ik heb het stuk nooit afgemaakt.

December 1998. Tijdens een bezoek aan mijn vriendin Istar Faber zie ik een exemplaar van Johnny Dowd’s debuutplaat ‘Wrong Side of Memphis’ op tafel liggen. “Over dit album heb ik goede dingen gelezen”, zeg ik.
“Neem maar mee”, antwoordt zij. “Ik vind het wel aardig, maar het lijkt me meer iets voor jou.”
Johnny’s muziek is asgrauw en humoristisch. Ik ben er meteen gek op en bezoek dan ook zijn eerstvolgende concert in mijn woonplaats, op 6 mei 1999. Op het hoogtepunt van de show springt hij, raggend op zijn gitaar, het publiek in. Uit de honderd aanwezigen pikt hij mij om het instrument tijdelijk aan over te dragen.
“Speel!” roept hij.
Ik wil die gitaar laten jakkeren zoals Johnny dat doet, maar heb geen idee hoe dat moet. Zowel een gevoel van euforie als volslagen machteloosheid maakt zich meester van mij. Een dronken man die de hele avond al vervelend staat te doen, redt mij van gezichtsverlies door te proberen het ding uit mijn handen te rukken. Johnny grijpt in en pakt zijn gitaar terug. Hoewel ik geen snaar aanraak, is het incident een keerpunt in mijn leven.
In de nachten na het optreden mijmer ik over mijn toekomst. Ik wil muzikant worden. Ik speel nu drie jaar gitaar en ben klaar voor het echte werk. Om mijn muzikale droom te verwezenlijken heb ik hulp nodig van iemand uit het internationale circuit. Hoewel hij nog maar net is doorgebroken, herken ik in Johnny de juiste persoon. Zijn uitstraling en grijze haren doen vermoeden dat hij ervaring heeft. Op mijn werk kwijt ik mij de dagen daarop minder van mijn taken dan normaal. Zoekend naar informatie over Johnny surf ik op het internet.
Zijn website vermeldt een emailadres. Ik zend er een berichtje naar toe waarin ik het gitaar-incident beschrijf en voorstel om Johnny de volgende keer dat hij Nederland aandoet van een slaapplaats te voorzien. Een paar dagen later krijg ik antwoord van ene Kat Dalton. “Johnny heeft negen katten”, schrijft zij. “Hij is geboren in Texas, opgegroeid in Oklahoma, en al jaren woonachtig in Ithaca, New York. Het duurt nog wel even voordat hij weer naar Europa komt. Hij zou het leuk vinden om dan kennis met je te maken”.
“Is het mogelijk om Johnny in Ithaca te ontmoeten?”, vraag ik in mijn volgende email. Het verzoek is een schot uit de losse pols. Ik leg uit dat ik een beginnend muzikant ben die een helpende hand zoekt bij het opnemen van een demo.
“John zegt: ‘Ja hoor, kom maar langs'”, schrijft Kat terug. “Maar hij weet niet of hij wat voor je kan betekenen op muziekgebied.”
Op 24 oktober 1999 land ik met gitaar en rugzak op JFK Airport. Na een shuttlebus- en metroreis sta ik een paar uur later uitgeput op Times Square. Op het internet heb ik een goedkoop hostel gevonden: The Big Apple, op 48th Street tussen Broadway en 8th Avenue. Gereserveerd heb ik niet, dus als ik er om negen uur ’s avonds en met barstende koppijn eindelijk aanklop, krijg ik te horen dat alle slaapplaatsen zijn bezet.
“Probeer Hotel Aladdin”, mompelt de receptionist. “Daar is vast nog wel een bed beschikbaar.” Het adres dat hij noemt versta ik niet, maar ik ben te moe om een herhaling te vragen. Ik reserveer een bed voor de volgende dag en strompel The Big Apple uit. De onpersoonlijkheid van New York heeft mij overrompeld. Aan een politieagente vraag ik of zij weet waar het aanbevolen hotel is.
“Welk hotel, zei je?”, vraagt zij.
Zonder het te beseffen, spreek ik de naam uit met een accent dat geen New Yorker begrijpt. De agente werpt een vriendelijke blik in een hotelgids om te zien of zij een vermelding kan vinden die overeen komt met wat zij verstaat.
“Ik denk niet dat het hier in de buurt is”.
Uit de intonatie in haar stem maak ik op dat zij zomaar wat zegt. Bij een aantal veel te dure hotels ga ik vraag ik aan de receptie waar Hotel Aladdin is. Ik krijg overal nul op het rekest. Bijna hopeloos vraag ik uiteindelijk twee koffiedrinkende agenten in een patrouille-wagen of zij me kunnen helpen. Ik noem de naam van het hotel. Herhaal die en herhaal opnieuw.
“A L L A D I N”, spel ik vervolgens, met de moed der wanhoop. Bij de vriendelijkste van de twee agenten gaat een lichtje op.
“Je bedoelt Hotel Aladdin”, zegt hij.
“Ja”, zeg ik. Ik kan de manier waarop hij de naam uitspreekt niet uit mijn mond krijgen. “Weet u waar dat is?”
“Zoek ik even op”, zegt hij.
Tien minuten later sta ik bij de receptie. Er is nog een bed beschikbaar. Ik krijg mijn sleutel en begeef me naar de kamer. Uitgeput val ik op mijn bed en in een diepe slaap.

Bij het ontwaken ben ik duizelig en als ik opsta wordt het zwart voor mijn ogen. Ik ga naar het toilet en verleng bij de receptie mijn verblijf waarna ik voor de rest van de dag mijn bed weer induik. ’s Avonds bestel en eet ik een broodje in een deli in de buurt van het hotel. Hoewel ik mij niet ziek voel en ik geen verhoging heb, zweet ik de hele dag. Ik zou voorgoed kunnen slapen. Het snot stroomt me de neus uit zonder dat ik verkouden ben. Mijn eerste dag in New York zit er op.
In de vroege ochtend van de tweede dag sleep ik mij naar The Big Apple. Dit keer is er nog wel een bed voor mij. Tot meer ben ik niet in staat. Zonder de kans te hebben gehad om kennis met haar te maken, wil ik nu al niets liever dan weg uit deze stad. Ik heb acht dagen in New York gepland alvorens naar Ithaca te reizen. In die tijd wil ik een platencontract verdienen. In mijn notitieboekje heb ik adressen gekrabbeld van platenmaatschappijen waar ik auditie wil doen.
Een zweterige nacht later dwing ik mijzelf dan ook op de trein naar de overzijde van de Hudson te stappen. In Hoboken, New Jersey is het hoofdkantoor gevestigd van mijn favoriete platenmaatschappij: Bar None Records. Hoewel ik me zwakker voel dan gisteren, is er geen weg terug. Ik wil dat contract verdienen. Minder zelfverzekerd dan naïef, klop ik aan.
“Wat kan ik voor je doen?”, vraagt de grijzende man die opendoet.
Bespeur ik een zweem van ironie in zijn stem? Ik raak van mijn à propos. “Uhm, ja, ik ehhh… Ik wil een paar liedjes voorspelen.”
“Waarom stuur je geen demo op?”
“Omdat ik die niet heb”.
“Het is ongebruikelijk om iemand te contracteren op basis van een paar liedjes die hij komt voorspelen.”
“Dat begrijp ik. Toch zou ik het graag doen.”
“Waar kom je vandaan?”
“Uit Nederland. Ik ben in New York op vakantie, en reis over een paar dagen naar Ithaca voor een ontmoeting met een favoriete muzikant. Met hem wil ik een demo opnemen.”
“Wie is die muzikant?”
“Johnny Dowd. Hij woont in Ithaca, New York.”
“Die ken ik wel. Kom maar binnen.”
Het zweet gutsts van mijn voorhoofd; mijn zadoek is doorweekt. Terwijl ik word voorgesteld aan de twee andere aanwezigen in het kantoor, bevangt mij de angst dat ik nog niet klaar ben voor het grote werk. Ik ga zitten en haal mijn gitaar uit zijn koffer. Mijn armen en vingers bevriezen.
“Een paar dagen voor mijn vertrek naar New York heb ik een nieuw nummer geschreven: Voyage. Dat ga ik voor u spelen.”
Halverwege het lied kan ik het snot niet meer binnenhouden en stop ik.
“Probeer het nog maar eens”, zegt de man die me heeft binnengelaten.
Weer gaat het mis.
“Wacht, ik zal iets anders proberen”. Ik veeg mijn neus schoon en begin To Mourn You My Dear te spelen, het lied dat ik heb geschreven op de dag dat ik mijn eerste gitaar kreeg. Hoewel ik in het tweede refrein het ritme verlies, speel ik het lied uit.
“Dat was mooi”, zegt mijn gastheer.
“Ja”, beamen zijn collega’s.
“Je doet me denken aan Arto Lindsay, een artiest uit onze stal”, vervolgt hij. “Hoe lang speel je al?”
“Bijna vier jaar”, zeg ik. “Ik ben kort voor mijn vierentwintigste verjaardag begonnen.”
“Hoe ken je ons?”
“Ik ben een fan van Epic Soundtracks”.
“Van hem hebben we niets op voorraad. Hier…” De man loopt naar een bureau en grijpt wat cd’s. “Dit is de nieuwe Arto Lindsay. En dit is een album van Lullaby for the Working Class. Luister daar maar eens naar. Als je een demo maakt en die aan ons opstuurt, zullen we er zeker aandacht aan besteden.”
Ik leg mijn gitaar in de koffer en neem afscheid van de mensen van Bar None. Aan de ene kant ben ik trots dat ik het lef heb gehad om onaangekondigd bij een platenmaatschappij binnen te wandelen, aan de andere kant heb ik mijzelf voor schut gezet. Om mij niet te laten kennen, besluit ik ook de volgende maatschappij op mijn lijstje te bezoeken: Matador Records. De bedrijfslokatie in hartje Manhattan en de statigheid van het pand doen vermoeden dat ik hier minder eenvoudig een kans krijg. Bezoekers moeten zich bij de receptie melden.
“Goedemiddag, meneer”, zegt de receptioniste. “Wat kan ik voor u betekenen?”
“Ik zou graag willen voorspelen voor enkele van uw managers.”
“Hebt u een afspraak?”
“Nee.”
“Er is niemand aanwezig die u kan ontvangen.”
“Ik kan wachten.”
“Wij tekenen momenteel geen nieuwe acts.”
Aan de muur hangen posters van Cat Power, Solex en Yo La Tengo. Een dergelijk eerbetoon is mij hier niet beschoren.
“Dank u wel. Is er echt…”
“Ik wens u een prettige dag, meneer.”
Met opgeheven hoofd draai ik mij om en begeef ik mij naar de lift. Ook dit is niet de juiste platenmaatschappij voor mij. In de lift laat ik een scheet en in het herentoilet in de entreehal leeg ik mijn blaas zonder nauwkeurig te richten. “Wat een rotwijf!”, mompel ik tegen de muur.
Ik loop naar Central Park en neem plaats op een bankje. Ik haal mijn gitaar weer uit zijn koffer. Eerst speel ik To Mourn You, My Dear, vervolgens Voyage. Zo zacht als ik kan, opdat niemand mij hoort. Om later aan mijn kinderen te kunnen vertellen dat ik ook daar heb gespeeld, pingel ik ook nog wat in een relatief rustige straat in Greenwich Village. Het stadsgeluid overstemt mij volledig.

Mijn verblijf in New York zit er op, eerder dan voorzien. Platenmaatschappijen zitten duidelijk niet op mij te wachten en ik voel mij lichamelijk niet in staat de stad te verkennen. Ik zie dan ook geen reden om nog langer te verblijven in de veredelde zwijnenstal die The big Apple is. Ithaca roept. In de ochtend van donderdag 28 oktober, vier dagen na aankomst, pak ik mijn spullen en begeef me naar het busstation.
Vier plaatsen voor me in de rij bij het loket staat een jonge vrouw, verdiept in haar boek en met de rug naar het loket. Ik staar haar aan. Zij kijkt op en glimlacht. We wisselen blikken totdat zij aan de beurt is. Tegen de tijd dat ook ik een plaatsbewijs heb, is zij verdwenen. Op weg naar mijn gate kijk ik om me heen in de hoop nog een glimp van haar op te vangen. Hoe kort en onschuldig ook, onze flirt heeft mij opgewonden.
Bij de halte voor de bus naar Ithaca krijg ik vlinders in mijn buik: de mooie vrouw zit er op de grond in de rij. Ik check mijn kaartje, maar heb me niet vergist. “Vertrekt de bus naar Ithaca hier?”, vraag ik voor de zekerheid aan de oudere dame die achter me staat. Er zijn immers tientallen haltes.
“Ja”, antwoordt zij.
“Dank u.”
“Studeer je in Ithaca?”, vraagt zij.
“Nee, ik ga er als toerist naartoe.” Ik heb geen zin in dit gesprek.
“Ben je er al eens eerder geweest?”
“Nee, dit is mijn eerste keer.” Ik verlang naar de mooie vrouw, van wie ik sta weggedraaid.
“Dan zul je aangenaam verrast zijn”. De dame kijkt naar mijn gitaar. “Het lijkt me echt een plaatsje voor jou. Ithaca is schitterend. Zeker rond deze tijd…”
“Het regent er altijd”, interrumpeert een jongere vrouwenstem.
Kort, zwart haar en bolle wangen. Stevige borsten. Een legerjas. De mooie vrouw is nog mooier van dichtbij. Haar glimlach is betoverend.
“Dank u”, zeg ik ter afronding van het gesprek met de oudere dame.
“In Ithaca wonen alleen maar hippies”, vervolgt mijn flirt. “Die vinden het daar fantastisch. Het kan ze niet schelen dat de zon er nooit schijnt en dat er niets te doen is”.
“Woon jij er ook?”
“Ik studeer er.”
“Wat studeer je?”
“Filosofie.”
“Wauw! Daar zou ik mij ook graag in verdiepen.”
De rij komt in beweging. Een medewerker van het busbedrijf maant de reizigers hun plaatsbewijzen gereed te houden en noemt de stopplaatsen en verwachte aankomsttijden.
“Eindbestemming: Toronto!”, roept hij.
“Toronto. Dat is mijn thuis”, zegt de studente filosofie. Zij geeft haar kaartje aan de controleur, die het in twee stukken scheurt en een daarvan teruggeeft. Zonder op mij te wachten, stapt zij in de bus. Nadat ook ik mijn kaartje heb laten verscheuren, word ik door de chauffeur, die naast de bus staat, verzocht om mijn spullen in de bagageruimte te plaatsen.
“Mijn gitaar wil ik bij me houden”, zeg ik.
“Geen plaats voor.”
“Ik hou haar wel tussen mijn benen”.
“Schiet op! We gaan er vandoor.”
Ik gooi mijn rugzak in de bagageruimte en stap in. De stoel naast de mooie vrouw is onbezet. Sterker, er zit nog bijna niemand in de bus. Omdat zij mij niet vraagt naast haar te gaan zitten, neem ik genoegen met de stoel achter de hare. De bus loopt vol. Op het laatste moment stappen drie dames aan boord, ieder met een boodschappentas. De eerste vindt een plaatsje achterin, de tweede gaat naast de mooie vrouw zitten. De luidste van het stel perst zich naast mij.
Onderweg naar Ithaca krijg ik opnieuw een zweetaanval. Ik begin te denken dat ik een allergie heb, al weet ik niet waarvoor. Dat zou verklaren waarom het snot me uit de neus loopt terwijl ik niet verkouden ben. Ook kan het zijn dat de gesloten luchtcirculatie in het vliegtuig mij een virus heeft bezorgd. Hoe dan ook, ik voel me vreemd. Niet ziek of slecht, maar zwak, moe en best wel lekker. Alsof ik in een staat van delirium verkeer.
De dame naast mij lacht, giert en brult met en om haar vriendinnen. Ik vind haar grappig. Omdat ze ziet dat ik om haar glimlach, richt zij zich tot mij.
“Ik moet uitkijken dat ik je niet platdruk”, zegt zij.
Ze heeft gelijk. Ondanks dat ik mijn gitaar tussen mijn benen heb, neemt zij het grootste deel van mijn ruimte in.
“Ik zit prima”, antwoord ik, lachend.
Ze draait zich om naar haar vriendin achterin de bus. “Janice, moet je horen! Mijn kleine, slanke buurman zegt dat hij het fijn vindt om naast mij te zitten. En dan tetter ik ook nog eens in zijn oren!”
Haar vriendinnen schateren van het lachen.
Op het busstation van Binghampton stappen de meeste mensen uit. We zijn ruim vier uur onderweg. Al die tijd heb ik nauwelijks een woord gewisseld met de mooie vrouw, maar zodra we stilstaan spreek ik haar aan.
“Wil je een stukje van mijn boterham?”, vraag ik. “Ik heb…”
Mijn gezellige buurvrouw wacht het einde van die zin niet af: “Zeg, buurman, wil je misschien van plaats ruilen met mijn vriendin? Dan kan zij naast me komen zitten en kun jij met de dame die voor je zit kletsen.”
Briljant! Had ik zelf niet kunnen voorstellen, omdat ik te opdringerig zou lijken. Ook is het mooi meegenomen dat mijn zwakke poging het gesprek weer op gang te brengen is onderbroken.
“Geen probleem”, antwoord ik.
“Lakeesha, jij komt naast mij zitten” zegt de vrouw tegen de dame naast de mooie vrouw. Dan, omkijkend: “Janice, jij schuift naar voren. Kun je aan de andere van het gangpad naast me zitten.”
Ik wurm mij en mijn gitaar langs en over mijn buurvrouw. “Ja, kom maar even op schoot zitten”, grapt deze. Ik vraag me af hoe zij zou reageren als ik mijn snotdoek op haar jurk laat vallen, maar ik houd me in. Zodra ik mij uit mijn positie heb bevrijd, strek ik mijn armen en benen en recht ik mijn rug. Mijn botten kraken.
“Dank je, schat, dat je dit voor me doet. Misschien houd je er wel een date aan over”, grapt de vrouw die mijn buurvrouw niet meer is. Ik doe een stap naar achteren zodat Lakeesha naast haar vriendin kan plaatsnemen. Opgetogen plof ik vervolgens in de stoel naast die van de mooie vrouw. Met een pen in haar hand en een stapel papieren op schoot kijkt zij mij vriendelijk aan.
“Wat ben je aan het doen, als ik vragen mag?”, vraag ik.
“Ik ben essays van studenten aan het beoordelen”, antwoordt zij.
“Geef je les?”
“Nee, ik assisteer een professor.”
“Zijn ze goed geschreven?”
“Vreselijk. Ik erger me rot. Al kan ik er soms smadelijk om lachen.”
De bus rijdt een stukje achteruit, weg van het kleine, vervallen busstation, en draait de weg op. “Volgende stop: Ithaca!”, roept de chauffeur in zijn krakende microfoon. “Verwachte aankomsttijd: half vijf!” Ik heb minder dan een uur om haar voor me te winnen.

“Ik kan niet over haar dood heenkomen”, zegt de mooie vrouw. Haar onderlip trilt. We zijn twintig minuten geleden uit Binghamton vertrokken en ons gesprek is regelrecht in de richting van haar verdriet gegaan: het verscheiden, minder dan een jaar geleden, van haar moeder. Haar bedroefde ogen maken mij op slag verliefd. Hier wordt een stukje van mijn persoonlijke geschiedenis geschreven.
“En weet je wat ik het ergste vind?”, vervolgt zij. “Dat mijn vader er niet voor haar was. Toen zij ziek werd, kon hij daar niet mee omgaan. Hij heeft haar altijd als vuil behandeld, maar dat hij niet thuisgaf toen zij hem het meest nodig had, dat kan ik hem niet vergeven. Ik heb hem al bijna een half jaar niet gesproken.”
Ik luister. Zeg geen woord. Wat kun je zeggen? Ik hou van haar. Nu al. Echt waar. Het is een vreemd gevoel. Alsof ik mijzelf niet onder controle heb. Alsof ik word geleefd. Alsof ik in het paradijs ben beland… Deze vrouw, wier naam ik nog niet eens weet, die laat ik niet meer gaan. Oké, ik overdrijf. Maar nee, ik overdrijf niet. We komen aan in Ithaca. We stappen uit.
“Wat ga je nu doen?”, vraagt ze?

Tijdens de planning van mijn reis heb ik onderzocht hoe ik die zo goedkoop mogelijk kan houden. Wie ken ik in Amerika? Arend-Jan Both, een familievriend die jaren geleden naar de Verenigde Staten is verhuisd. Dat is mijn enige Amerikaanse contact.
“Woont Arend-Jan nog in Amerika?” vroeg ik mijn moeder, kort nadat ik mij had voorgenomen Johnny Dowd op te zoeken.
“Ik zou het niet weten”, antwoordde zij.
“Ging hij niet naar Ithaca?”
“Geen idee. We hebben wel eens een brief van hem ontvangen, maar die moet ik nog beantwoorden. Ik zal zijn adres eens opzoeken.”
Ik typte “Arend-Jan Both” in op de computer. Hij bleek biologie te studeren aan Cornell University in Ithaca. Wat een toeval! De volgende dag bel ik Arend-Jan op, en spreken we af dat ik ongeveer twee weken bij hem zou logeren.

“Ik logeer bij een vriend van de familie”, zeg ik tegen de mooie vrouw. “Die is hier tien jaar geleden naar toe verhuisd.” Vanuit een telefooncel bel ik Arend-Jan op zijn thuisnummer, maar hij neemt niet op.
“Je kunt met mij meekomen. Drinken we eerst een kop thee, probeer je het daarna nog een keer.”
Enthousiast maar niet te gretig stem ik toe. “Hij weet dat ik kom, maar niet dat dat vandaag is. Hopelijk kan hij mij ontvangen.”
Tijdens mijn eerste wandeling proef ik meteen de romantiek die ik mij altijd heb voorgesteld bij kleinstedelijk Amerika. De mooie, koloniale huizen, bijna allemaal van hout, stralen gezelligheid en rust uit. De bladeren aan en onder de bomen kleuren rood, oranje, bruin, geel en groen. De gloed van de namiddagse zon smaakt naar echte herfst.
“Het is hier mooi”, zeg ik.
“Op het eerste gezicht wel, ja. Deze tijd van het jaar is dragelijk. Wacht maar tot het winter is. Dan is het hier een half jaar lang grauw en grijs. Dodelijk saai.”
“Je komt uit Toronto, zei je. Is het daar niet minstens net zo somber in de winter?”
“Jawel, maar Toronto is een grote stad. Er is veel te doen. In Ithaca gebeurt niets.”
Snotterend en zwetend struin ik achter haar aan door de bladerhopen op het trottoir. Het voetpad is slecht onderhouden. Onder de herfstdekens vormen door boomwortels opgetilde tegels gevaarlijke struikelblokken. Voor ouderen-van-dagen en gehandicapten is dit onbegaanbaar terrein. Het meest opvallend vind ik echter het grote aantal kerken dat we passeren. In tien minuten tel ik er vijf.
“Is dit een christelijke gemeenschap?”, vraag ik de mooie vrouw.
“Oh nee, absoluut niet”, antwoordt zij. “Niet in vergelijking met de rest van Amerika.”
“Ben jij religieus?”
“Ik ben atheïst. En jij?”
“Ik moet niets van religie hebben.”
Het koloniale gebouw waarin de mooie vrouw een appartement heeft behoeft een likje verf en is ernstig verzakt. Toch heeft het charme. Het is opgedeeld in vier wooneenheden en de hare bestaat uit een schots-en-scheef woonkamertje, een knusse slaapkamer, een ruime badkamer en een piepkleine keuken. De ramen, ook niet groot, lijken uit hun sponningen te vallen. Het meubilair is versleten. Overal liggen boeken.
“Het is hier een rommel”, zegt zij.
“Dat vind ik juist gezellig”, antwoord ik.
“Wil je thee?”
“Lekker.”
“Welke smaak?”
“Maakt niet uit.”
“Jasmijn?”
“Prima.”
“Ik weet je naam nog niets eens.”
“Dat wilde ik ook net zeggen.”
“Mijn naam is Aga.”
“De mijne Jairo.”
Terwijl Aga thee zet, verken ik haar cd-collectie. Jazz is haar favoriete genre. Grant Green. Astrud Gilberto. Dinah Washington. Ik zet ‘The Best of Chet Baker Sings’ op. Het eerste lied, ‘The Thrill Is Gone’, bevalt mij verrassend goed.
“Dit is mijn lievelingsplaat”, zegt Aga, terwijl zij de kopjes thee op een laag, houten tafeltje naast haar afgeleefde bankstel zet. “Heb je ‘Let’s Get Lost’ gezien? Een fantastische documentaire over zijn leven! Ik heb er de soundtrack van.”
“Ik ken de muziek van Chet Baker nauwelijks”, geef ik toe. “Maar ik heb altijd het gevoel gehad dat ik mij er in zou moeten verdiepen. Hij heeft een mooie stem.”
“Voor mij is het zijn trompetspel dat hem zo goed maakt.”
“Dat ook, ja”, beaam ik, hoewel het mij was ontschoten dat hij behalve zingt ook dat instrument bespeelt.
“Wil je je vriend nog eens proberen?”
Ik krijg opnieuw geen gehoor.
We drinken onze thee. Aga vertelt dat zij in Polen is geboren en op haar elfde met haar familie via Oostenrijk naar Canada is gevlucht. Van het leven in communistisch Polen herinnert zij zich vooral de kerstdagen. “Elk jaar kochten wij een zalm die we wekenlang in de badkuip in leven hielden”, vertelt ze. “Zalm en bietensoep, dat was ons kerstmaal. Als verwennerij kregen we een sinaasappel toe.
“Ik krijg er honger van”, zeg ik.
“Laten we wat gaan eten”, stelt Aga voor. “Ik weet een aardige Indiase tent. Verder is er in Ithaca geen fatsoenlijke eetgelegenheid te vinden.”
Het restaurant van Aga’s keuze blijkt een sfeerloze bedoening met tl-verlichting, kitsch aan de muur, en een bediening die zich beperkt tot het noodzakelijke. De menukaart zegt mij niets, behalve dat de prijzen meevallen. Het eten is niet om over naar huis te schrijven.
“Het is acht uur geweest”, zegt Aga als wij een uurtje later het restaurant verlaten. “Wil je nu je vriend weer bellen, of zullen we eerst wat gaan drinken?”
“Ik weet niet hoe ver hij hier vandaan woont en rond welke tijd hij meestal naar bed gaat”, antwoord ik. “Maar ik denk dat we best een biertje kunnen pakken.”

Drie uur later zit ik naast Aga op haar afgeleefde bankstel. Op de achtergrond kweelt Astrud Gilberto: “Tall and tan and young and lovely/The girl from Ipanema goes walking/And when she passes each one she passes goes Ah”.
“Jairo, je hebt je vriend nog niet gebeld!”, waarschuwt Aga mij.
“Oeps! Daar had ik geen moment meer aan gedacht”, beken ik, enigszins aangeschoten na ons bescheiden drankfestijn. “Denk je dat ik hem zo laat op de avond nog kan bellen?”
“Dat kan ik een stuk minder goed inschatten dan jij. Maar je kunt vannacht best bij mij blijven slapen.”
“Nee, dat lijkt mij geen goed idee. Hij rekent op mijn komst.”
“Dan moet je hem bellen.”
“Eerlijk gezegd ben ik bang dat het aan de late kant is. Hij lijkt mij geen nachtbraker. Na tienen bel ik mensen liever niet meer.”
“Wat wil je dan?”
“Ik kan een hotelletje opzoeken.”
“Prima. Als je dat wilt. Maar waarom blijf je niet hier? Of je nou een hotelkamer huurt of op mijn bank pit, je laat hem in beide gevallen in de steek.”
“Ik blijf wel bij jou slapen.”
Aga staat op en haalt kussens, een laken en een stapeltje dekens uit haar slaapkamer. “Ik ga slapen”, zegt ze, terwijl ik mijn slaapplaats in gereedheid breng. “Je kunt muziek blijven luisteren zo lang je wilt. Daar heb ik geen last van.”
“Ik zal Chet Baker nog eens opzetten.”
“Je kunt natuurlijk ook gewoon alsnog bij mij in bed kruipen. Het is groot genoeg en comfortabel.”
“Dank je”, antwoord ik. “Maar de bank is lekker zacht. Welterusten.”
“Welterusten.”
Voordat zij haar nachtlicht uitklikt lig ik bij haar in bed.

Mijn zijde van Aga’s bed is doordrenkt met zweet. Ik stink. Telkens als we de liefde bedrijven stroomt het snot me uit de neus. Dan onderbreek ik het vrijen om daar iets aan te doen. Aga maalt er niet om. Samen met mij verkeert zij in een roes.
“Dit is de vrijheid”, zeg ik tegen haar. “Ik voel me bevrijd. Het is heerlijk om geen remmingen te hebben”.
Ik haal diep adem en voel mij even, heel eventjes maar, volmaakt gelukkig. Om dit gevoel te kunnen ervaren moest ik weg zijn van huis. In mijn vertrouwde omgeving had ik het lef niet om mij zo eenvoudig bloot te geven aan een aantrekkelijke vrouw. Verlegenheid en schaamte weerhielden mij daarvan. Maar hier heb ik niets te verliezen.
“Je moet naar de dokter, Jai”, oordeelt Aga. “Je gaat helemaal niet vooruit. Ik maak me zorgen om je.”
We kennen elkaar nu vijf dagen. Het is tijd om Arend-Jan te laten weten waar ik uithang. Hij verwachtte mij gisteren. En ja, ik moet naar de dokter. Als ik die demo met Johnny opneem kan ik niet doorlopend mijn neus moeten snuiten.
“Weet jij een goede huisarts?”, vraag ik.
“Je moet naar het medisch centrum van Cornell gaan. Het zal geen probleem zijn dat je niet aan de universiteit bent verbonden. Dit is toch een beetje een noodgeval. Laten we meteen een afspraak maken.”
Terwijl zij het medisch centrum belt, maak ik een bad voor alweer een romantisch onderonsje. Kaarsjes aan, licht uit. Lekker veel badschuim. Ik kijk naar het spiegelbeeld van mijn lichaam. Heerlijk! Het voelt goed om zelfverzekerd te zijn.
“Vanmiddag om half drie, Jai!”, roept Aga vanuit de woonkamer.
“Dank je”, zeg ik. “Ik zal er zijn. Zet ‘Let’s Get Lost’ even op, wil je? En kom dan hier. We gaan in bad.”
Op de kabbelende klanken van Chet Baker’s zoetgevooisde melancholie komt Aga de badkamer in. Haar ochtendjas glijdt van haar lichaam. “Vergeet je vriend niet te bellen”, fluistert zij. Haar armen sluiten zich rond mijn nek.
“Wil je dat ik vanavond bij hem ga slapen?”
“Nee, ik wil dat je hier blijft. Maar hij moet weten wat er aan de hand is.”
“Ik hoop dat hij de situatie begrijpt”, zeg ik tegen Aga. “Ik laat hem natuurlijk toch een beetje in de steek.”
We nemen plaats in bad en genieten van onze vertrouwdheid met elkaar. Niet eerder heb ik mij zo ontspannen gevoeld in een liefdesrelatie. Sterker nog, ik heb er nimmer een gehad. Uiteraard ben ik Arlette niet vergeten, met wie ik van mijn achttiende tot mijn eenentwintigste verkering had. Ik was gek op haar, maar zij niet op mij. Onze breuk had voor mij een seksuele leemte van vier jaar tot gevolg, waarna ik middels een bescheiden reeks one-night stands en enkele korte affaires had geprobeerd mijn zelfvertrouwen wat op te veizelen.
Dat ik Aga pas een paar dagen geleden heb ontmoet en dat wij wellicht vooral gedreven worden door lust laat ik niet tot mij doordringen. Ik wil dat zij de ware is. Wat mij betreft kennen wij elkaar van haver tot gort en geniet ik voor de rest van mijn leven van haar. Het lijdt geen twijfel dat Ithaca mijn nieuwe thuishaven is. Helaas moet ik terug naar Nederland om mijn contract uit te dienen bij ClickWork, maar zodra ik kan zal ik mij definitief bij mijn geliefde voegen.
“Ik weet zeker dat je vriend hetzelfde zou doen als hij in jouw schoenen stond”, zegt Aga. “Waarom zou hij kwaad zijn? Je had toch niet kunnen voorzien dat je mij zou ontmoeten?”
Nee, dit had ik niet voorzien. Ontmoetingen als deze geschieden op onbewaakte ogenblikken, wanneer je er niet op zit te wachten maar ook niet niet op zit te wachten. Voor aanvang van de reis speelde ik met de gedachte dat ik weg moest uit Nederland, maar ik had geen plan van aanpak en al helemaal geen idee dat Ithaca in plaats van New York mij een ontsnappingsmogelijkheid zou bieden. Dat zij de contouren heeft van een bloedmooie vrouw is een fabuleus detail.
Aga staat op en stapt uit bad. In de afgelopen dagen hebben wij vaker de liefde bedreven dan Arlette en ik in drie jaar en met Arlette heb ik het vaker gedaan dan met alle andere vrouwen die ik voor Aga heb gekend. Dergelijke details doen ter zake voor iemand die zich jarenlang seksueel gefrustreerd heeft gevoeld.
“Ik herinner me Arend-Jan als iemand die zich aan afspraken houdt”, zeg ik, terwijl ik de stop uit de afvoer van het bad trek. “Daarom weet ik niet of hij zal begrijpen dat ik liever bij jou slaap dan bij hem. Ik had aan hem geschreven dat ik bij hem zou logeren. We hebben elkaar in geen jaren gezien. Als hij teleurgesteld is dan voel ik mij schuldig.”
Aga legt haar hand op mijn borst. “Je maakt je druk om niks”, fluistert ze, glimlachend. Haar hand glijdt over mijn buik. “Ik wil met je vrijen.” Niets is lekkerder dan begeerd te worden door iemand die je begeert.

“Jairo! Wat leuk! Welkom in Ithaca”. Arend-Jan klinkt erg enthousiast. “Hoe was je reis?”
“Goed. Spannend.”
“Ben je op het busstation? Dan spring ik meteen in de auto.”
“Ik zit op de bank bij iemand die ik tijdens mijn reis hier naartoe heb ontmoet. Dat is een lang verhaal. Vanaf het station heb ik je wel gebeld, maar je nam niet op. Toen heeft zij me bij haar thuis uitgenodigd.”
“We waren waarschijnlijk boodschappen doen. Waar woont ze?”
“Op East Seneca Street.”
“Geen probleem. Zal ik je daar komen ophalen?”
“Nou kijk, het zit zo. We zijn hier al vier dagen. Ik heb je nog een paar keer geprobeerd te bereiken, maar je nam steeds niet op.”
“Wat ben je van plan? Wil je naar ons komen?”
“Ik weet het niet. Ja, natuurlijk. Het lijkt me leuk je weer te zien.”
“Kan Aga je komen brengen of moet ik je ophalen?”
“Aga heeft geen auto. Het lijkt me het beste als we elkaar morgen ontmoeten. Ik ben ziek en moet vanmiddag naar de dokter.”
Morgen ben ik tot vijf uur op de universiteit aan het werk.”
“Heb je daarna tijd?”
“Ik pik je om half zes wel op.”

De dokter controleert mijn hartslag en kijkt in mijn keel en oren. “Wat zijn de symptomen?” vraagt ze.
“Elke morgen is mijn bed doorweekt van het zweet”, zeg ik. “En het snot blijft maar stromen, terwijl ik niet verkouden ben. Koorts heb ik niet en echt ziek voel ik mij ook niet, maar als ik een paar honderd meter loop zit ik er helemaal door. Het lijkt wel wat op ehh… Ik weet niet hoe die ziekte in het Engels heet. U weet wel. Die kusziekte.”
“Hoe lang loop je hier al mee rond?”
“Ruim een week.”
“Ik zal je een antibioticakuur voorschrijven.”
Voor zover ik weet heb ik nog nooit antibiotica voorgeschreven gekregen. Hoewel ik de kuur niet zie zitten en mij niet wordt verteld wat ik onder de leden heb, houd ik mijn mond. Miljoenen Amerikanen hebben dit soort behandelingen ontelbare keren overleefd.
De volgende ochtend vind ik een paar kleine bultjes op mijn benen en mijn buik. Omdat ze niet jeuken, maak ik mij geen zorgen. Aga en ik brengen de dag door in bed totdat Arend-Jan aanbelt om mij op te pikken. Met tegenzin ga ik met hem mee. Hij blijkt getrouwd en een stiefzoon te hebben en we eten pizza. Ik blijf een nacht logeren, maar kan vanwege ontwenningsverschijnselen de slaap niet vatten.
Bij het krieken van de dag schuif ik mijn bed uit om me in de badkamer af te trekken en te douchen. In het licht ontdek ik dat de bultjes op mijn lichaam gezelschap hebben gekregen van honderden soortgenootjes. Van mijn enkels tot mijn nek zit ik onder de uitslag. Ik trek me af en spring onder de douche. Na een snel en lusteloos ontbijt, laat ik me snel weer thuisbrengen. Mijn bezoek aan Arend-Jan is teleurstellend verlopen. Hij had herinneringen willen ophalen, terwijl ik alleen maar hunkerde naar mijn geliefde.
Aga maakt direct na mijn thuiskomst een nieuwe afspraak met de dokter, die mij een uurtje later ontvangt. “Waarschijnlijk heb je een allergische reactie op de penicilline”, oordeelt zij. “Je moet stoppen met die kuur.”

Ik heb met Kat Dalton afgesproken dat ik haar en Johnny Dowd zal ontmoeten in een Mexicaans restaurantje in het winkelcentrum van Ithaca. Zenuwachtig bereid ik mij in Aga’s woonkamer voor op dat moment.
“Je ziet er piekfijn uit in die kleren, Jai”, zegt Aga. “Johnny zal een aanstormend Europees rocktalent in je herkennen”
Haar ironische compliment zou een waarschuwing moeten zijn: ik zie er belachelijk uit. Speciaal voor de ontmoeting heb ik mijn knalroze blouse en crèmekleurige pak uit Nederland meegenomen. De blouse, met een typische zeventigerjarenkraag, heb ik voor twintig piek in een tweedehandswinkeltje in Utrecht op de kop getikt; het pak heb ik een jaar geleden aangeschaft om de blits mee te maken op de bruiloft van mijn tweelingzus.
“Waarom kom je niet mee?”, vraag ik aan Aga.
“Omdat ik me oncomfortabel zou voelen”, antwoordt zij. “Ik ken die mensen niet en ze verwachten alleen jou te ontmoeten. Deze ontmoeting was het doel van je komst naar Ithaca. Dan is het vreemd als je met mij komt aanzetten.”
“Kom ons dan na een tijdje vergezellen. Dan kan ik je aankondigen.”
“Ik zie wel. Maar je moet nu gaan, anders laat je ze wachten.”
“Ik hou van je.”
“Ik ook van jou.”
Onderweg naar de ontmoetingsplaats vraag ik mij heel even af of we niet te hard van stapel lopen. Nee, besluit ik, zo gaat dat met liefde op het eerste gezicht. Met de borst vooruit en een rechte rug loop ik verder. Ik heb mij nog nooit zo goed gevoeld.
In het restaurant, dat ook een bar is en waar zojuist een Happy Hour is begonnen, is nauwelijks voldoende ruimte om adem te halen. Margaritas halve prijs! Van dergelijke drankjes moet ik niets hebben en van menigten ook niet.
“Ben jij Jairo?” vraagt een stem achter mij.
Ik draai me om: “Kat?”
“Ja, dat ben ik”, zegt de vrouw, wier blik ietwat verwonderd lijkt.
“Nou ja!” roep ik uit. “Hoe wist u dat ik het was?”
“Je bent de enige hier die er on-Amerikaans uitziet”
“Hoe bedoelt u?”
“Je hebt een nogal Europese uitstraling”, zegt ze. De glimlach die op haar gezicht verschijnt is welgemeend en veronderstelt dat ik begrijp wat ze bedoelt. Haar woorden verrassen mij echter, aangezien ik me voor mijn gevoel juist eerder Amerikaans heb gekleed, als een showman, flitsend. We sluiten aan in de rij der wachtenden-op-een-tafel, die inmiddels teruggaat tot aan de buitendeur.
“Wil je alvast wat drinken?”, vraagt Kat, die mij op haar beurt eerder Europees – Frans, om precies te zijn – dan Amerikaans aandoet. De ontspannen vriendelijkheid in haar voorkomen bevalt mij.
“Nee, dank u”, antwoord ik. “Ik wacht liever tot we zitten.” Met haar ranke gesteldheid, haar donkere, halflange haar, de sobere maar weldoordachte en overwegend zwarte kleding, en haar brilletje met zwart montuur, bedenk ik mij, zou zijn niet uit de toon vallen in een film van Jean-Luc Godard.
“Waar is Johnny?”, vraag ik.”
“Die komt eraan. Hij had nog wat werk te doen.”
In bijna elk artikel dat ik over hem gelezen heb, werd gerefereerd aan Johnny’s dubbelleven als zanger en verhuizer. Kat vertelt mij dat Johnny al een kwart eeuw een bedrijfje runt en dat doet met zijn beste vriend Dave, met wie hij ook jarenlang in een band heeft gespeeld. “Zij hebben elkaar in de jaren zestig ontmoet op een legerbasis in Duitsland”, zegt zij. “Dat waren de wilde jaren van hun leven.”
De receptionist van het restaurant wijst ons een tafeltje toe. Een heel klein, wiebelend tafeltje, waar we ons door de menigte naartoe wurmen. “Maar vertel eens, Jairo”, vervolgt Kat, terwijl ze haar jas over de rugleuning van een stoel hangt. “Hoe was je reis hier naartoe?”
“Ik ben al een week in Ithaca. Het plan was om acht dagen in New York te blijven, maar daar heb ik van afgezien omdat ik ziek werd.”
“Wat had je?”
“Dat weet ik niet. Ik bedoel, het was niet echt duidelijk. Maar ik zweette me dagenlang rot en het snot liep me de neus uit. Toen ik hier aankwam, ben ik naar de dokter gegaan, die me antibiotica voorschreef. Met die kuur moest ik ophouden omdat ik er uitslag van kreeg.”
“John!”, roept Kat langs mijn hoofd. “We zitten hier!”
Ik kijk om en sta op. Daar is hij! De man die mij zijn gitaar overhandigde tijdens een optreden duizenden kilometers hier vandaan! De zenuwen gieren me door de keel. Mijn hand schudt de zijne. Zijn ogen kijken mij onderzoekend aan.
“Leuk je te ontmoeten”, zegt hij, waarna hij gaat zitten.
“Jairo vertelde me zojuist dat hij ziek is geworden in New York”, zegt Kat tegen hem. “En van de antibioticakuur die hij moest volgen kreeg hij uitslag.”
“Ach!”, zegt Johnny.
Kat draait zich naar mij: “Voel je je nu weer beter?” Ze klinkt moederlijk bezorgd.
“Ja, hoor. Niets meer aan de hand”, antwoord ik. Uit de manier waarop mijn tafelgenoten met elkaar communiceren – zowel verbaal als non-verbaal – maak ik op dat zij intiem zijn met elkaar. Uit de email-correspondentie van Kat aan mij, die vriendelijke doch bondige en weinig onthullende berichten schreef, was mij dat niet duidelijk geworden.
Een ober onderbreekt ons gesprek om de bestelling op te nemen. Ik heb nog nooit Mexicaans gegeten en heb, net als toen ik met Aga Indiaas ging eten, geen idee wat de keuken te bieden heeft. Een blik op de kaart maakt mij ook nu weer niets wijzer. “Doet u mij maar een groente-ehh…”. Ik twijfel over de correcte uitspraak van het volgende woord. “Enchilada met kaas.” Mijn keuze baseer ik op het toeval dat ik de omschrijving van dat gerecht aan het lezen ben op het moment dat Kat zegt dat het mijn beurt is om te bestellen. “En een Dos Equis”, voeg ik er aan toe.
“Heb je je ondanks de ziekte vermaakt in New York?”, vraagt Kat zodra de bestellingen zijn gedaan.
“Eerlijk gezegd heb ik er weinig plezier beleefd. Ik heb voorgezongen bij een platenmaatschappij, maar ik geloof niet dat ze iets in me zagen.”
“Voorgezongen? Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?”
“Ik heb er aangebeld en gevraagd of ik mocht zingen.”
“En dat mocht?”
“Ja, hoor. Geen probleem.
“Hoor je dat, John? Hij is gewoon bij een platenmaatschappij binnengestapt om voor te zingen.”
“Ach!”, zegt Johnny.
“En wat heb je nog meer gedaan?” Kat doet me denken aan een journaliste; alleen het taperecordertje-op-tafel ontbreekt. In Johnny herken ik een brompot, precies zoals ik van hem verwacht had.
“In Central Park en op straat in Greenwich Village heb ik wat liedjes gespeeld. Dat was het zo’n beetje wel. Ik ben echt niet aan veel toegekomen.”
“En toen ben je hier naartoe gereisd…”
“Ja. Na vier dagen al.”
“En, hoe bevalt Ithaca?”
“Ook hier heb ik nog niet veel gezien of gedaan”, zeg ik, denkend aan mijn geliefde en de vele uren die ik met haar in bed heb doorgebracht. “Maar ik heb het gevoel dat het een goede keuze was om naar dit stadje te komen.”
“Je zegt dat met een zo glunderend gezicht dat ik haast wel moet denken dat je momenteel de tijd van je leven hebt”, oordeelt Kat.
“Nou, dat is misschien ook wel zo!”, antwoord ik. Een vreemde mengeling van schaamte en enthousiasme bezorgt mij een rood hoofd. Ook begin ik weer in alle hevigheid te transpireren. “Ik heb besloten om in Ithaca te komen wonen.”
“Dat lijkt me een nogal rigoreus besluit, zo na een paar dagen al.” Kat kijkt weer naar Johnny, van wie ik niet kan inschatten of hij enige interesse heeft in wat er wordt gezegd. “Hoor je dat, John?” vraagt Kat hem. “Jairo wil hier komen wonen.”
“Ach!”, zegt Johnny, die zijn doordringende blik op mij richt. “Dan moet je een meisje aan de haak slaan.”
“Dat heb ik al!”, roep ik uit, verrast door dat advies. “In de bus naar Ithaca heb ik een hele mooie vrouw ontmoet. Haar naam is Aga. Ze is een studente filosofie aan Cornell University. Bij haar heb ik de afgelopen dagen gelogeerd.”
Johnny fronst zijn wenkbrauwen en blijft me aankijken. “Goed zo”, zegt hij na een korte stilte. “Jij weet van aanpakken.”

De muren en het plafond van The Shop, Dave Hinkle’s opnamestudio in het gehucht Willseyville, New York, zijn volgeplakt met foto’s van en krantenknipsels over overleden en nog levende rockhelden. Elvis Presley’s beeltenis is prominent aanwezig. Dit is de plek waar Johnny zijn tweede album – Pictures from Life’s Other Side – heeft opgenomen. Nu ben ik aan de beurt.
“Hoeveel liedjes heb je voorbereid?”, vraagt Johnny. Tijdens onze ontmoeting in het restaurant heeft hij toegezegd om in ruil voor een fles whiskey een dag met mij de studio in te duiken om een demo te produceren. Dave, een typische goedzak die al snel niet alleen zijn kompaan en zakenpartner maar ook zijn rechterhand, manusje-van-alles, en bewonderaar blijkt te zijn, zit tijdens de sessie achter de knoppen.
“Ik denk dat ik er een stuk of acht kan opnemen”, antwoord ik.
“Van hoeveel weet je dat zeker?” De intonatie in zijn stem maakt duidelijk dat Johnny geen behoefte heeft aan halfslachtige antwoorden.
“Eh… Vijf?”
“Dan doen we er drie. Met welk lied wil je beginnen?”
“Eh… Voyage? Of To Mourn You, My Dear.”
“Kies het lied waarmee je het meest vertrouwd bent. We hebben een dag. Dat is meer dan genoeg als je weet wat je wilt. Een goede voorbereiding is het halve werk.”
“Dan begin ik met To Mourn You, My Dear”, zeg ik. Dat is het lied dat ik schreef op de dag dat ik mijn eerste gitaar kreeg.”
“Uitstekend!”, zegt Johnny. “Dave, zijn we er klaar voor?”
Dave heeft drie microfoons voor mij neergezet, waarvan de eerste vooral mijn stem, de tweede mijn gitaar, en de laatste beide moet opnemen. “Wat mij betreft kunnen we beginnen”, antwoordt Dave.
“Nu is het aan jou, Jario”, zegt Johnny. “Toon je kunsten aan de wereld. Rock ’n roll!”
Door de koptelefoon hoor ik mijzelf zoals de buitenwacht mij hoort. Wat heb ik een warme stem! En wat een prachtig lied: “One thousand women I shall have/To mourn you, my dear/I could mourn without their love/And tell them you are still here.” Terwijl de woorden uit mijn mond vloeien, beeld ik me in dat ik in het spotlicht van het podium van een grote, volle zaal speel, omringd door een in ouderwets katzwijm vallend jongemeidenpubliek.
“Goed gedaan. De eerste poging staat op de band”, zegt Johnny nadat de laatste noot is weggestorven. “Wat denk je er van?”
“Op het laatst maakte ik een foutje. Verder was het goed.”
“Je moet de maat leren houden. Halverwege versnelde je heel erg. Tap mee met je voet.”
Die versnelling was mij niet opgevallen. “Ik kan mijn voet niet meebewegen”, beweer ik. “Dan raak ik het ritme kwijt.”
“Heb je weleens met een metronoom geoefend?”
“Een wat?”
“Ik raad je aan om daar mee te beginnen. Je hebt het nodig. Luister maar eens naar de opname.” Johnny draait zich om: “Dave!”
Dave zit in de controlekamer te wachten op instructies. “Ja?”, roept hij terug.
“Laat Jario eens naar de opname luisteren!”
Ik hoor mijzelf terug door de koptelefoon, maar de vermeende versnelling valt mij niet op. “Volgens mij speel ik het op die ene noot na precies zoals ik het altijd speel”, zeg ik. “Het klinkt mij goed in de oren.”
Johnny, die door zijn eigen koptelefoon meeluistert, maakt een moedeloos gebaar. “Tel maar mee”, zegt hij. “Dan hoor je dat je versnelt. Niet alleen halverwege, maar telkens als je een refrein ingaat.”
Ik probeer mee te tellen, maar dat lukt me niet. Is dat omdat ik niet weet hoe dat moet of omdat er geen maat is? Voelde ik tijdens de opname dat ik geschiedenis aan het schrijven was, nu schaam ik me voor mijn klaarblijkelijke onkunde. “Johnny”, zeg ik, “ik hoor niet wat je bedoelt. Ik ben niet in staat om de maat te houden.”
“Dat komt doordat je een Europeaan bent”, zegt Johnny. “Natuurlijk kun je dat wel! Je moet het gewoon voelen. Niet nadenken. Sluit je ogen en luister naar het ritme. Ga er in op. Ieder mens kan dat van nature, maar uit de West-Europese cultuur is de muzikale verdieping verdwenen.”
Ik sluit mijn ogen en luister nog een keer. Ik denk niet na. Ik ga op in de muziek. Schitterende tekst, warme gitaar. Het refrein zet in…
“Daar!” roep ik. “Daar versnel ik! Verdomd, je hebt gelijk!” Nu ik weet hoe ik moet luisteren is het niet meer te missen. Telkens als het refrein inzet, probeer ik dat kracht bij te zetten door luider te spelen. Als ik mij concentreer op het volume verlies ik de controle over het tempo.
“Dit moet over” zeg ik.
“Je vond het toch goed?” antwoordt Johnny.
“Ja, maar niet nu ik hoor dat ik telkens de mist in ga.”
“Zo moet je het niet zien. Als je versnelt en het klinkt goed, dan werkt het.”
“Nee”, zeg ik, resoluut. “Dit is amateuristisch. Het kan nooit werken als je het niet bewust doet maar uit onkunde.”
“Als we er voor kiezen het zo te laten, dan weet de luisteraar dat dit een keuze is. Die gaat er van uit dat je een lied speelt zoals je het bedoelt.”
Mijn trots op de opname is echter verdwenen, evenals het vertrouwen in mijn muzikale vaardigheid. “Ik weet het niet, Johnny”, zeg ik. “Voordat ik de tempowisselingen hoorde, wist ik niet beter dan dat dit de juiste manier was. Nu schaam ik me.”
“Luister!” Johnny kijkt me aan. “Je moet stoppen met nadenken over hoe muziek hoort te klinken. Als jij het goed vindt, dan is het goed. Succes in de muziekwereld is een kwestie van zelfvertrouwen.”
Ik voel me gefrustreerd. Niet alleen vanwege mijn onkunde, maar ook vanwege Johnny’s benadering. “Jij wees mij erop dat ik de maat niet houd”, bijt ik terug. “Dat was me anders nooit opgevallen. Nu ik het hoor, moet het over.”
Johnny is de rust zelve. “Je doet dit om te horen hoe ver je bent op muzikaal gebied, niet om de ultieme uitvoering van dit lied vast te leggen. Maar dit is jouw sessie, dus jij bent de baas. Aan het eind van de dag ga ik naar huis en kan het me niet schelen wat we hebben gedaan.”
We doen een nieuwe poging. Terwijl Dave de band start probeer ik mijn rust te hervinden. Ik begin te spelen. Heel langzaam. Tijdens de eerste regels van het tweede vers verslik ik mij echter in mijn woorden. “Nee!”, verzucht ik, terwijl ik met mijn vuist op de klankkast van mijn gitaar sla. “Dit is weer niet goed.”
Er wordt op de deur geklopt. “Wat is hier aan de hand?”, vraagt de slungelachtige jongen die binnenkomt.
“Brian!”, zegt Johnny. “Dit is Jario, die jongen uit Nederland. We zijn een demo aan het opnemen. Het is nog even wennen.”
“Heb je een drummer nodig?” Nu hij dat zegt herken ik hem van Johnny’s optreden in Utrecht.
“Dat zou de oplossing kunnen zijn”, zegt Johnny. “Je kunt Jario helpen de maat te houden.”
“Ik eh…”, zeg ik weifelend. “Ik heb nog nooit met een drummer gespeeld.”
“Nooit met een drummer gespeeld?”, roept Brian uit. “Dan ben je geen echte muzikant.” Vanwege zijn stoïcijnse kop is het onmogelijk om te zeggen of hij dat serieus of grappig bedoelt. Ik voel mij hoogst ongemakkelijk.
“Maar ik ben ook helemaal geen muzikant”, zeg ik, wetend dat ik mij in het defensief laat dringen. “Het is mijn bedoeling om er een te worden. Daarom ben ik hierheen gekomen.”
“Met die Mickey Mouse-gitaar van je lukt dat nooit.”
“We zullen wel zien”, zeg ik, mijn tranen bedwingend. Ik vraag mij af wat ik hier te zoeken heb. Deze gast is een botterik en ook Johnny lijkt mij niet iemand met wie ik het goed kan vinden.
“Ga op je kruk zitten, Brian”, zegt Johnny. “We gaan van Jario een muzikant maken.”
“Zeg, Dutchy, ik hoor dat je een Poolse aan de haak hebt geslagen.” Brian kijkt me aan alsof hij dat niet kan geloven. “Waar is ze?”
“Thuis. Ze is een Pools-Canadese.”
“Oost-Europese vrouwen zijn de mooiste. Maar zelfs die kun je er niet bij hebben als je moet werken.” Hij neemt plaats achter zijn drumstel. “Laat maar eens horen wat je kunt. Rock ’n roll!”
“Rock ’n roll”, antwoord ik. Uit mijn mond klinken die woorden weinig overtuigend.